Tips voor naasten: hoe steun je iemand met kanker?
Als iemand in je omgeving kanker krijgt, wil je er graag zijn. Maar wat zeg je? Wat kun je doen? Hoe bied je hulp aan? En hoe voorkom je dat je vanuit goede bedoelingen juist iets doet waar de ander niet op zit te wachten?
Hier vind je praktische tips voor vrienden, familie, collega’s en andere naasten van iemand met kanker. Over op bezoek gaan, contact houden, iets zeggen of juist niet, hulp aanbieden, cadeaus en omgaan met moeilijke momenten. De tips zijn gebaseerd op mijn eigen ervaring met kanker en op mijn boek Kank’r nog bellen? – Handboek voor omgaan met iemand met kanker.
Wat zeg je tegen iemand met kanker?
Wat zeg je als iemand vertelt dat hij of zij kanker heeft? Je hoeft geen perfecte woorden te vinden. In deze tip vind je concrete voorbeeldzinnen, wat je beter niet kunt zeggen en waarom ‘ik weet niet wat ik moet zeggen’ soms juist heel fijn kan zijn.
Kraamvisite
Voor naasten is het vaak lastig om te bepalen wat prettig is als je op bezoek gaat bij iemand met kanker. Je wilt er zijn, maar je wilt ook niet te veel vragen van iemand die moe is, pijn heeft of weinig energie overhoudt. Een simpel advies: behandel het bezoek een beetje als kraamvisite.
Dat betekent:
- Spreek vooraf een duidelijke tijd af.
- Blijf liever kort dan te lang.
- Maak duidelijk dat afzeggen op het laatste moment geen probleem is.
- Verwacht niet dat iemand voor koffie, eten of gezelligheid zorgt.
- Bied aan iets mee te nemen of praktisch te helpen.
- Ga ook echt weg als je merkt dat de energie op is.
Deze tips helpen om het bezoek licht en haalbaar te houden. Zo kun je als naaste betrokken zijn, zonder dat iemand met kanker zich verplicht voelt om een goede gastheer of gastvrouw te zijn.
Love in. Shit out.
Kanker raakt niet alleen degene die ziek is. Ook als naaste kun je bang, verdrietig, boos of machteloos zijn. Die gevoelens hoeven niet weg, maar het helpt wel om goed te kijken waar je ze neerlegt.
Het principe love in, shit out is daarbij een eenvoudige leidraad. Liefde, aandacht en steun gaan naar degene die ziek is. Je eigen zorgen en emoties deel je met mensen die iets verder naar buiten staan: je partner, een vriend, familielid of iemand anders die jou kan opvangen.
Zo hoeft degene die ziek is niet óók voor jouw verdriet te zorgen. En zorg je ervoor dat jij zelf voldoende steun hebt om er voor de ander te kunnen zijn.
Complimenten
‘Je bent zo sterk.’
Ik hoorde het vaak toen ik kanker had. En ik weet ook dat het ontzettend lief bedoeld is. Toch vond ik het soms een ingewikkeld compliment. Want hoe weet iemand eigenlijk of ik me sterk voel? Of positief? Misschien had ik net een ochtend waarop ik alleen maar wilde huilen. En: was het de bedoeling dat ik sterk was? Moet ik ergens aan voldoen?
Wat ik veel fijner vond, is een compliment dat concreter is. Minder over wie ik blijkbaar moest zijn, meer over wat iemand echt zag. Daarvoor kun je deze simpele formule gebruiken:
Gedrag + effect
Dus niet:
“Je bent zo sterk.”
Maar bijvoorbeeld:
“Ik vond het knap hoe duidelijk je net aangaf dat bezoek vandaag niet uitkomt. Dat helpt mij om beter rekening met je te houden.”
Of:
“Ik merk dat je vandaag gewoon zegt wat je nodig hebt. Dat vind ik fijn, want dan hoef ik minder te gokken.”
Een goed compliment hoeft niet groots te zijn. Het moet vooral te kloppen. En vaak helpt het als je benoemt wat je ziet, en welk effect dat op jou heeft.
Zeg je 'kanker', 'ziek' of 'hodgkin'?
Wat zeg je eigenlijk als iemand kanker heeft? Noem je het kanker? Ziek zijn? De medische naam, zoals Hodgkin? Of zeg je er liever zo min mogelijk over, omdat je bang bent dat je de verkeerde woorden kiest?
Taal lijkt misschien een detail, maar dat is het niet. Woorden kunnen steun geven, maar ze kunnen ook afstand creëeren. Zeker rondom ziekte. De één zegt zonder aarzeling: “Ik heb kanker.” De ander houdt het liever bij: “Ik heb Hodgkin.” Of: “Ik ben ziek.” Soms verandert dat ook weer. Eerst voelt het ene woord te groot, later past het juist wel. Of andersom.
Mijn voorstel: ontmoet de ander waar die is. Volg het woordgebruik van de ander. Zegt iemand “kanker”, gebruik dan gerust dat woord. Zegt iemand “Hodgkin”, sluit daarbij aan. Zegt iemand “ziek”, maak er dan niet zelf iets anders van. Je hoeft het niet mooier, voorzichtiger of preciezer te maken dan de ander zelf doet. Je hoeft alleen maar mee te bewegen. Twijfel je? Vraag het gewoon.
Bijvoorbeeld: “Ik hoor dat jij ‘Hodgkin’ zegt en niet ‘kanker’ of ‘ziek’. Wil je dat ik dat ook zo zeg?” Of: “Wat vind jij prettig als we het hierover hebben?” Dat voelt misschien even ongemakkelijk, maar het is juist zorgvuldig. Je laat ermee zien dat je wilt aansluiten in plaats van invullen.